Techniek van bodeminjecties
Bodeminjecties kunnen op tal van manieren worden verwezenlijkt.
Grout (mortel en dämmer) injecties worden met een tube à manchette (manchettenbuis) in de bodem gebracht. Voor jetgrouten worden stalen lansen de grond in geboord. Voor PUR-injecties worden metalen lansen, van koper of staal gebruikt.
De meeste injecties vinden onder pompdruk plaats, waarbij water of een combinatie van water en lucht voor de distributie van de bouwstoffen zorgen. Uitzondering op die regel: PUR.
Waterglasinjecties worden d.m.v. van flexibele slangen in de bodem gebracht.
De meest toegepaste methode van het inbrengen van de injectieslangen:
- een damwandplank, aan weerszijden voorzien van een buis met daarin een injectieslang, wordt met behulp van een trilblok de bodem ingebracht tot de gewenste diepte is bereikt.
- de damwandplank wordt getrokken, de injectieslangen blijven achter;
- uiteraard worden alle slangen tot dezelfde diepte ingebracht, zodat een homogeen injectiepatroon wordt verkregen;
- de trillingen van het inbrengen en verwijderen van de planken wordt normaal gesproken door de bodem goed opgevangen en geneutraliseerd.
Moeten de injectieslangen absoluut trillingsvrij worden aangebracht, dan wordt de boormethode toegepast.
Die bestaat eruit dat een holle lans met daarin een injectieslang, met behulp van een boormotor de grond wordt ingebracht tot de gewenste diepte is bereikt.
Tegenover het voordeel van het trillingsvrij aanbrengen staat het nadeel van de productiviteit die ± 50% is van de damwandmethode.
Voor beide technieken geldt: de slangen worden na gebruik met een speciale techniek verwijderd, waarna de aannemer probleemloos de grond kan afgraven en afvoeren.

